In het jaar 1787 ontdekte Galvani als eerste de samenhang tussen elektrische stromen en spiersamentrekkingen. Carlo Mateucci ontdekte in 1843 dat ook het functioneren van het hart gebaseerd is op elektrische stroompjes.
De eerste grafische weergave dateert uit 1876 en werd door E. J. Marey gemaakt. De Nederlandse fysioloog Wilhelm Einthoven kreeg in 1924 de Nobelprijs voor het uitvinden van de elektrocardiografie.

De door hem ontwikkelde afleidingen en curve-aanduidingen worden nog steeds gebruikt. Deze afleidingen werden uitgebreid door de Amerikaanse cardiologen Emanuel Goldberger met de extremiteitenafleiding en Frank Wilson met de borstafleidingen.
Het ECG (elektrocardiogram) is een weergave van de afgeleide en zichtbaar gemaakte elektrische activiteit van het hart. Het bestaat uit een serie opeenvolgende karakteristieke golfvormen. Deze worden bij elke pompactiviteit van het hart herhaald. Op deze manier kan men de hartactiviteit van buiten af waarnemen. Met behulp van een ECG kan men beoordelen of het hart normaal funktioneert of dat er afwijkingen optreden.
Voor het begrip van een ECG is kennis van de bouw van het hart en de manier waarop het bloed door het hart stroomt belangrijk. Het hart wordt gezien als een holle spier die in vier kamers is onderverdeeld. Dat zijn de rechter voorkamer, de rechter kamer, de linker voorkamer en de linker kamer. Het bloed stroomt via de ader in de rechter voorkamer en stroomt dan door de tricuspidaalklep naar de rechter kamer.
Het wordt dan door de pulmonaalklep in de longslagader gepompt. In de long neemt het bloed zuurstof op en geeft het kooldioxide af.Het bloed stroomt daarna via de longaders naar de linker voorkamer. Met behulp van de mitraalklep stroomt het naar de linker hartkamer. Via de aortaklep wordt het bloed in de aorta en de slagaders van het gehele lichaam gepompt.
Aan de hand van voorbeelden wordt op mogelijke veranderingen ten opzichte van het normale ECG gewezen die bij hartaandoeningen zouden kunnen optreden.
Er worden eveneens enkele waarden aangegeven die door ECG apparaten worden gemeten. Het normale ECG vertoont karakteristieke toppen in het lijnverloop. Deze worden sinds Einthoven aangeduid met de letters P, Q, R, S, T en U.

De P-golf wordt veroorzaakt door het samentrekken van de voorkamers. Het eerste stijgende gedeelte komt overeen met de rechter voorkamer, het tweede dalende gedeelte met de linker voorkamer.
Voorbeelden van een verandering van de P-golf zijn:
Het PR-interval wordt vaak door ECG apparatuur gemeten
De P-Q-tijd of PR-interval genoemd begint met het begin van de P-golf en eindigt bij het begin van het QRS-complex. De prikkel wordt door de AV-knoop geremd en via de bundel van His naar de Knoop van Tawara geleid (vandaar geleidingstijd). De normale duur ligt tussen de 0,12 – 0,20 seconde. Duurt het PR-interval langer dan 0,20 seconde dan zou er b.v. sprake kunnen zijn van een AV-blok.
De prikkel loopt via de linker kant van de Knoop van Tawara en de scheidingswand van de kamer en wordt als Q-top in het ECG zichtbaar. In de R-fase worden de meeste hartspieren geprikkeld, vandaar dat er in het ECG dan grote toppen verschijnen.Gedurende de S-fase verplaatst de prikkel zich van de punt van het hart naar de basis van de rechter en linker hartkamer.
Voorbeelden van een verandering van het QRS-complex:
De QRS-duur vanaf het begin van de Q-golf tot aan het einde van de S-golf wordt eveneens gemeten door ECG apparatuur. Het geeft de duur van de depolarisatie van de hartkamers weer. De normale duur bedraagt tussen de 0,08 en 0,12 seconde. Is deze duur langer, dan kan dat b.v. wijzen op een storing in de geleiding zoals boven beschreven.
ECG apparatuur meet vaak ook de QT/QTc waarde: Deze wordt vanaf het begin van de Q-golf tot aan het einde van de T-golf gemeten. Het QT-interval geeft de duur van de activering en het herstel van de ventriculaire spieren weer. Deze duur loopt gelijk met de polsslag.
ST-segment: Alle cellen van de kamers zijn gedepolariseerd. Er ontstaat een iso-elektrische lijn omdat er in deze fase geen stroom loopt.
Voorbeelden van veranderingen van het ST-segment:
ECG apparatuur meet vaak ook het ST-segment en kan dan o.a. de boven beschreven veranderingen registreren.
T-golf: Deze komt overeen met de repolarisatie van de kamers en wijst in dezelfde richting als de R-top.
Voorbeelden van verandering van de T-golf:
U-golf: Daarbij gaat het om een vlakke verhoging die volgt op een T-golf. Het is nog niet helemaal duidelijk waar deze verhoging vandaan komt.
Mobiele ECG apparatuur zoals de Cardio24 of de Instant Check kunnen samenvattend b.v. de volgende parameters meten:
Voor een gedetailleerdere analyse kan men de afzonderlijke delen met behulp van de software groter weergegeven en beoordelen.
De oude apparaten zoals b.v. het apparaat dat in 1887 door Waller werd ontwikkeld, waren erg zwaar, niet te transporteren en hadden voor de bediening meerdere technische hulpmiddelen nodig. Zij konden alleen de uitslag van een kamer zichtbaar maken. Deze apparaten waren nog niet geschikt om op breed klinisch gebied in te zetten.
In het midden van de twintiger jaren werden buisversterkers ontwikkeld. Deze waren in staat om de elektrische spanning te versterken en te registreren. Deze gemakkelijker te bedienen en lichtere apparaten maakten de diagnostiek binnen de normalen artsenpraktijk mogelijk.
Met de apparaten die in de jaren 50 werden ontwikkeld en die voorzien waren van transistors kon het ECG op papier worden geprint. Deze apparaten waren al aanzienlijk kleiner en handzamer.
Bij de verdere ontwikkeling werden werden nieuwe elektronische onderdelen geïntegreerd. Daardoor was het mogelijk om met de apparaten zelfstandig afleidingselektroden te controleren. Ook konden er half- of volautomatisch geprogrammeerde, gecentreerde en geformateerde ECG’s worden geprint.
Door het gebruik van accu's konden ECG's zonder aansluiting op het stroomnet worden gebruikt. Met behulp van de verder ontwikkelde elektronika werd het mogelijk om ook patiëntengegevens zoals naam, leeftijd en medicijnen mee uit te printen.
Bij de huidige apparaten die in praktijken en klinieken worden gebruikt, kan men de tijdintervallen van de afzonderlijke gedeeltes ingeven en de vermoedelijke diagnoses uitprinten. Door het gebruik van geïntegreerde aansluitingen is gegevensoverdracht voor elektronische opslag mogelijk.
Hart- en vaatziekten zoals hartinfarct, beroerte en hartritmestoornissen behoren tot de meest voorkomende aandoeningen in de geïndustrialiseerde landen. Om thuis en onderweg gemakkelijk en op elk moment metingen ter controle van de hartactiviteit te kunnen verrichten, werden aanzienlijk kleinere en lichtere mobiele ECG apparaten ontwikkeld.
Met deze nieuwe generatie mobiele ECG apparaten kunnen hart- en vaatziekten vroegtijdig worden onderkend en bestaande ziekten gecontroleerd. Bij klachten kan meteen een opname worden gemaakt.
Deze opname kan dan ter beoordeling en voor een vakkundige diagnose aan de arts worden voorgelegd. De arts kan deze mobiele ECG apparaten b.v. goed bij een huisbezoek van patiënten met hart- en vaatziekten inzetten.